Wesleyaantje Deel 1. - Internetpastor

Internetpastor.eu
Ga naar de inhoud

Wesleyaantje Deel 1.

Kennisbassin > Werkstukken
Het hart van de Wesleyaanse theologie is de genade van God. De genade van God is overal en het is altijd het leidende motief voor behoudenis van mensen. Daarom is de genade het belangrijkst in Wesley’s theologie.
Wesley definieert genade op twee manieren:
1. Aan de ene kant zegt hij dat genade een onverdiende liefde is. Al de zegeningen dat God op de mensen heeft gelegd komen voort uit pure genade, Zijn liefde, Zijn gift naar de mensheid toe, deze genade is daarom niet te verdienen, maar we zijn afhankelijk van Gods liefde die God ons schenkt.
2. Aan de andere kant zie Wesley genade  op een andere manier. Hij ziet genade als “De kracht van de Heilige Geest.” De Heilige Geest stelt ons instaat om op de weg van de Here Jezus te blijven lopen.
Met dit inzicht zien we dan ook dat er een menselijke interactie tussen God en mensen is. Uit deze interactie komt heling en genezing van de menselijke ziel voort. Uit deze interactie, of te wel het proces wat wij met God hebben, noemen we heiliging proces. Hieruit vloeit dat we meer op Jezus zullen gaan lijken. Dit zal direct gestalte gaan krijgen in de relatie met ons zelf, andere en de gehele schepping. We noemen dit proces wat we doorgaan, in theologische termen, de restauratie in het Imago Dei (=beeld van God, hoe God is). Voor John Wesley  is genade daarom een combinatie van een afhankelijkheid van Gods liefde, en de kracht van de Heilige Geest, die onze harten vernieuwt door middel van heiliging bij de pure genade van God.
In het maken van de mens is door John Wesley genade omschreven als absolute liefde of goedheid van God. Het was namelijk vrije genade dat mensen uit het stof der aarde vormde en tot volheid kwam toen God in hem een levende ziel blies. De mens was voor de zondeval goed, zonder enige tekenen van de zondeval.
Toch schiep God de mens niet eenvoudig. Integendeel, God schiep de mens zeer ingewikkeld! God gaf de mens een lichaam waarin de ziel/geest aanwezig is. De ziel is ook wel een ‘self-moving, thinking principle’ genoemd. Met mooie woorden is dat door Wesley omschreven als ‘res cogitans.’
Het lichaam kan niet zonder de ziel functioneren maar de ziel kan wel op zichzelf functioneren. De ziel word ook wel het ‘ik’ of het ‘zelf’ genoemd en deze is onsterfelijk en wordt geïdentificeerd met het beeld van God. Voor Wesley zijn de woorden ‘ziel’ en ‘geest’ hetzelfde en kunnen dus door elkaar gebruikt worden.
Mensen zijn geïdentificeerd met het beeld van God. Dit beeld wordt in de mens gerestaureerd d.m.v. het heiligingsproces. Het beeld van God bestaat uit 3 aspecten;

1. het natuurlijke beeld van God;
2. het politieke beeld van God;
3. en het morele beeld van God.

1. Het natuurlijke beeld van God bestaat uit de ziel, eigen wil en de vrijheid die we van God hebben gekregen. Immers liefde hangt niet aan draadjes maar laat elkander vrij;
2. Het politieke beeld van God. In deze mogen we samen met God regeren over de wereld waarbij we wel in het oog moeten houden dat God ALTIJD de gouveneur ‘par excellence’ is en blijft;
3. Het morele beeld van God. Wesley gebruikte Efesius 4:24 als leidraad voor het morele beeld van God. Hij ontwikkelde dit aspect in een term van de onuitputtelijke Liefde van God. Daarom is het morele beeld van God het hoogste aspect van deze drie aspecten. Het is het hoogste aspect omdat a: Mannen en vrouwen zijn in staat gesteld om God te eren, te loven en te prijzen in geest en waarheid. Hun harten kunnen gevuld worden met heilige geaardheid; b: Het morele beeld van God is erg belangrijk om dat het de context is voor de mogelijkheid van zonde. Het morele beeld van God is veelzeggend omdat het spreekt van een relatie naar God toe. Deze relatie met God kan een verwrongen en een verstorende invloed hebben met de dodelijke effecten van zonde. In dit aspect is er dus kans dat wij ons zelf de eer geven het geen wij gepresteerd hebben i.p.v. God onze Vader; c: Het morele beeld van God is direct verbonden met de morele wet dat niet allen een onverwoestbaar plaatje van de eeuwige levende God is, maar het is ook veelzeggend over de originele, authentieke en zuivere natuur waarin de mens in gemaakt was. Dus, in den beginnen was er de genade van God, maar tegelijkertijd was daar ook een duidelijke morele wet aanwezig! De morele wet was immers met de vinger van God in de engelen (de eerst geborenen), Adam en Eva en in onze ziel geschreven. God heeft dit gedaan omdat de morele wet nooit te ver weg zou zijn, nooit te moeilijk om te begrijpen was, maar dat het altijd toegankelijk zou zijn zoals de zon in de hemel schijnt.

De mens is in het beeld van God geschapen, heilig, genadig en perfect, liefdevol zoals God is. God maakte mensen als een beeld van Zijn eigen eeuwigheid, een onafbreekbare spiegeling van de glorie van God. De mens was puur zoals God puur was. De mens had geen enkel benul van wat nu eigenlijk kwaad was en om die reden kon men totaal geen zonde. De mens was innerlijk en uiteindelijk zondeloos en onbezoedeld.
Bij wie de morele wet aanwezig is (waarachtige gerechtigheid en heiligheid), en daar door de gelijkheid van God, zullen divers Goddelijke karakteristieken aanwezig zijn. Deze karakteristieken bestaan uit: vriendelijkheid, liefdadig, meelevend, zacht van hart niet alleen naar vrienden maar (juist) ook naar diegene die wij niet mogen! Ook moeten wij denken aan menselijke gerechtigheid dat gekenmerkt word door liefde, ontzag hebben voor…, overgave aan God, nederigheid, bescheidenheid, zachtmoedigheid, liefde voor het verlorenen en al de andere heilige en hemelse deugde. Deze karakteristieken zijn afkomstig van de eerste en tweede Adam (Adam van Eva en Jezus).
John Wesley definieert originele rechtvaardiging van de eerste adam bij de volgende morele wet: “De rechtvaardiging van de morele wet was in overeenstemming met van al de geestelijke vermogens en krachten van de ziel.” Dit hield drie aspecten in: a. Adam was als het licht van Christus omdat hij geschapen was in het beeld van God; b. Adams wil is gelijk aan Gods wil immers daar was geen zonde of verleiding aanwezig en c. Adams gevoelens waren heilig en puur.

Een belangrijk punt van de morele wet is de kern van het beeld van God. Deze kern is ‘rechtvaardiging’ en ‘heiliging.’ Rechtvaardiging en heiliging vergelijken het karakter van God met het karakter van de mens. Deze kijk laat zien dat er niet alleen een duidelijke menselijk karakter is, maar ook dat de genade van God nooit bij de mens weg is geweest maar ze zijn voor de morele wet altijd samen geweest. Daarom is de morele wet niet de basis van de relatie tussen God en de mens. Nee, de morele wet is de standaard en dat zegt veel over de integriteit van de relatie (tussen God en de mens) waarin genade en rechtvaardiging (en zonde) zich openbaart. Als de schepping van de mens alleen, in genade en in het morele beeld van God is bepaald, en niet in termen van de morele wet (rechtvaardiging en heiliging) dan is genade niet gebruikt zoals als het zou moeten worden gebruikt. Voor Wesley is genade altijd een norm. Genade komt voort uit een keuze van mensen.
Dus… genade komt voort uit een keuze in relatie tot rechtvaardiging en heiliging. Het missen van één van deze componenten kan voor genade tot misbruik leiden. Genade kan zich dan gaan ontwikkelen in verwaandheid, egoïsme en misleiding. Dit soort genade heeft Wesley altijd betreurd.   

Copyright 2017 - 2022 internetpastor.eu
Terug naar de inhoud